Sammy
Sammy


VANDAAG

EERDER LEVEN

ANDER LEVEN

MEE LEVEN

MEE KIJKEN
Zondag 9 mei

Poes ligt te schokken op mijn schoot. Als ik haar hoofdje optil, in een milde poging haar te kalmeren, ligt het gewichtloos in mijn hand. Angstaanjagend en fascinerend tegelijk.

Gisteren, in de spiegel, zag ik hoe roofbouw eruit ziet. Ik zag een grauw gezicht, ogen die niet scherp konden zien, ingevallen wangen.
Het zat er aan te komen, zoveel gewerkt, zo weinig geslapen, en toen er vrijdag nog een ziekmelding kwam brak ik.
En toen een andere collega met slecht nieuws kwam brak ik nogmaals.

Met het breken brak de migraine los. Vulde mijn hoofd, mijn lijf, sloot mijn ogen. Ik dook het weekend onder, kroop van bed naar bank naar wc, de pijn eruit kotsend.
Probeer een knop om te zetten, maar ik droom over werk, en als ik niet droom, denk ik aan werk.

Nog een weekje, dan een week vakantie. Dat zou gerust moeten stellen, maar geeft juist paniek. Nog maar een paar dagen om die enorme stapels weg te werken.

Ondertussen rijden de wielrenners over de wegen waar Vriendin en ik eind april nog reden, op zoek naar lente. Ik kijk met plaatsvervangende schaamte naar alle vluchtheuvels waar ze hun dunne broekjes aan scheuren.
En nog steeds staan we vooraan om toekomstige grote geldverslindende sportevenementen te willen organiseren.

Donderdag 13 mei

Vriendin en ik besluiten Brabant te bezoeken. We gaan langs Beekse Bergen, maar het is druk en laat, we rijden weer door.
Komen terecht in Heeswijk Dinther, waar bij het kasteel een middeleeuwse markt is met een vogelshow, die we met gemengde gevoelens bekijken.
Ik heb net een nieuwe fotocamera om mee te spelen.
Na de markt met foute teksten en na grote frustratie over de camera die niet wil wat ik wil belanden we met behulp van hulplijn Ex in Overasselt waar een lapjesboom staat.
Wikipedia: Bij een koortsboom (ook wel lapjesboom genoemd) kan men volgens het volksgeloof koorts, of een ziekte in het algemeen, afbinden. Vaak gaat het om een (zomer)eik, maar ook andere boomsoorten zoals de linde worden genoemd.
Het volksgeloof vertelt dat als een lapje stof aan een speciale boom wordt gebonden, deze boom ervoor zorgt dat de koorts verdwijnt. Het lapje draagt de koorts over aan de boom en moest wel in aanraking komen met de patiënt, het was vaak een stukje van een kledingstuk.
In vroeger tijden werd de stof door familie of buren aan de boom gebonden, dit mocht echter door niemand worden waargenomen en dit werd vaak 's nachts gedaan. Ook mocht degene die de lap stof achterliet niet omkijken als men de plek verliet. Als men een lap stof (of ander voorwerp) wegneemt van de koortsboom, zou de ziekte overgaan op de persoon die het voorwerp bezit.

Vriendin is teleurgesteld, de oude eik die vroeger volhing is grotendeels leeggehaald, de nieuwe lapjes hangen nu in een jonge boom vlakbij.
De lapjes hebben ondefinieerbare vlekken en zijn vaak weinig persoonlijk.
Ik heb geen lapje bij me. Vriendin heeft nog een papieren zakdoek, ik knoop deze in de boom, denkend aan een collega.

Zondag 16 maart

Nog tot laat gewerkt gisteravond maar nu is hij er dan echt: een vrije week.
Morgen vertrek ik naar Zuid Frankrijk, naar Lourdes.
Ik hoop me te laven aan de genezing van anderen, hoop rust te krijgen in mijn eigen lijf en hoofd.

Ik heb lang getwijfeld of ik zal gaan, tot vandaag aan toe. Een week thuis, met Poes op schoot, lokt ook.
Maar weet dat een andere omgeving me goed zal doen.
Een hartverscheurend afscheid volgt.

Dinsdag 18 mei

Het is makkelijk om er de spot mee te drijven, met al die zieken in een rolstoel die al dan niet hopen zo op te staan en te kunnen lopen, met de vromen die de handen hebben gevouwen, hun lippen prevelen, hun ogen gesloten.
Maar het doet me wel wat, al die mensen met een missie, met hoop.

Ik ben een paar dagen in Lourdes.
Een stad met een burcht op een heuvel, bergen in de omgeving, een centraal plein met een grote kerk, veel hotels en heel veel pelgrims.
En nog veel meer mensen om die pelgrims voort te bewegen in rolstoelen die nodig gesmeerd moeten worden, bedden en een soort riksja's.
Een aantal keer naar kerken, 2 keer per dag een processie, dan nog langs de overige toeristische attracties en de vele souvenirwinkels die allen hetzelfde aanbieden.

Het heeft iets van Santiago de Compostella, waar wildvreemden elkaar omhelzen, puur omdat ze het gehaald hebben.
Hier omhelzen mensen elkaar ook, mensen omhelzen geestelijken die ze niet kennen, ze dragen vaandels en maken groepsfoto's, een Chinese vrouw geeft iedere langsrijdende persoon in een rolstoel een hand.
Overal wordt gebeden. Werkelijk overal.
Ik zit op een muurtje in de zon, naast me komen 4 mensen zitten. De man begint een gebed voor te lezen uit een boekje, de mensen naast hem laten de rozenkrans door de vingers glijden en vullen hem op de gewenste momenten aan. Madre des Dios. Prega per noi. Er komen meer mensen bij zitten.

Het lijkt een bezwering van het einde van de wereld.

De Grot van Massabielle, waar volgens de overlevering de Maagd Maria zich vertoonde aan Bernadette. Mensen lopen langs, raken de wanden aan, komen langs de Bron die tijdens 1 van de verschijningen zou zijn ontstaan en bidden.
De Kraantjes, water uit de bron wordt hier in alle maten jerrycans getapt. Mensen drinken het water, sprenkelen het over hun gezicht en handen en nemen hele voorraden mee naar huis.
Een aantal rekken waar je een kaars in kunt plaatsen. De meesten bidden erbij, ik denk aan mijn dierbaren. Zet een kaars voor Anna neer, in een rij waar nog geen kaarsen staan. Ik neem mijn moment. Zodra ik 1 stap opzij doe komt een vrouw met 7 kaarsen. Ze duwt mij opzij en zet de kaarsen voor de mijne. Ik hoor Anna heel hard lachen. Een schelle aanstekelijke lach.

Woensdag 19 mei

Per dag vinden er 2 processies plaats. Iedereen wordt weer uit het ziekenhuis gereden, om 17 uur en om 21 uur, en doet een soort van rondje om de kerk.
Ondertussen wordt er door iedereen gebeden en gezongen, het Ave Maria. Ik moet er wat om lachen, de melodie lijkt erg op 'zijn knecht staat te lachen, hij roept ons reeds toe' , maar de enorme stoet mensen is wel indrukwekkend, vooral de avondprocessie als iedereen een kaars meebrengt.
Bijna iedereen draagt hier een naambordje, bijna iedereen hoort ergens bij.

Verder een bezoek aan de beeldenfabriek, een begraafplaats en een nabijgelegen berg. Heen ga ik met een kabelbaantje, en ik kom naast een Nederlandse te zitten, helemaal voorin. Er zijn zit- en staanplaatsen en omdat het vol raakt gaan er ook mensen voor ons staan. De vrouw naast me doet snel haar been naar voren zodat de Japanners niet door kunnen lopen en voor háár kunnen staan. Ze proberen het voorzichtig, maar de vrouw zegt 'the view, the view'. Ik wijs haar op het bordje waarop staat dat er ook staanplaatsen zijn, maar ze schudt het hoofd en zegt dat ze niet voor niets voorin is gaan zitten. Ik voer aan dat deze mensen recht hebben op een plaats maar ze blijft hardnekkig haar hoofd schudden. Ik schaam me voor haar. Zeg haar dat dit niet in de gedachte van Lourdes is, dat we daar leren delen. Ze kijkt me aan, schudt nog steeds met haar hoofd, maar haalt haar benen weg. De Japanners durven echter niet door te schuiven.


Donderdag 20 mei

Door de bossen van Lourdes gaat een kruisweg op de heuvel, met levensgrote bronzen beelden die de laatste fase van het leven en de opstanding uit de dood van Jezus tonen.
Mensen bidden bij ieder beeld, gaan op de knieën een trap op, op iedere tree nieuwe gebeden biddend. Groepen trekken langs onder leiding van een dominee. In het kader van een militaire pelgrimage deze dagen komt een Kroatische delegatie langs, met een aantal mannen in witte pakken die prachtig samenzang leveren.

's Middags ga ik naar Gavarnie en wandel van daaruit een paar uur door het Nationaal Park van de Pyreneeën.
Dan eten voor ik naar de kaarsenprocessie ga.
'Vous etes seul?' vraagt de ober. 'Ja, je suis seul', zeg ik, en probeer niet te zuchten. Het eten deze week is redelijk, niet erg verheven, niet erg origineel. Wel lekker buiten in de zon, en bijna altijd gratis water bij het eten. De bon komt meestal al voordat ik klaar ben.

De uiensoep die ik vanavond heb genuttigd komt van pas als ik vooraan sta op de trappen van de kerk om neer te kijken op de stoet lichtjes.
Een man achter me zou graag op mijn plek willen staan en maakt dat duidelijk kenbaar. Legt af en toe zijn hoofd bijna op mijn schouder om een foto te kunnen maken. Ik zet mijn voet af en toe iets naar achter, Excusez-moi, op zijn voet en knijp mijn billen iets minder samen als hij weer zo dichtbij komt.
De uien doen hun werk.


Vrijdag 21 mei

Al dagen loop ik te dralen bij de baden.
Voorbij de grot, de kraantjes en de kaarsen is er de mogelijkheid om je onder te (laten) dompelen in een bad met water uit de bron. Misschien omdat het zo verborgen achter een gordijn plaatsvindt, ik weet het niet, het fascineert me. Ik heb dat meer met plekken die wat geheimzinnig zijn, kloosters, gevangenissen.
Al dagen vraag ik me af wat er achter het gordijn gebeurt. Ga je in 1 groot bad gezellig met iedereen, word je uitgekleed en vooral: wat houd je aan?

Ik heb geen bikini bij me. Dat laat ik dagenlang de drempel zijn. Maar dan besluit ik, op mijn laatste dag hier, aan te schuiven op het bankje. Schone onderbroek, bh, hemdje, we zien het wel.
Er is een aparte ingang voor mannen en vrouwen. Vrijwilligers regelen de logistiek, wie waar moet wachten op welk bankje en wie mee mag met de verpleegster die haar hoofd laat zien vanachter het gordijn.
Ik overweeg de hele tijd op te stappen.

Heb bewust niet meegedaan met de processie, ben niet de grot ingegaan, niet een hele mis bijgewoond. Dat voelt schijnheilig en ik krijg er genoeg van mee.
Maar het lijkt me dat ik dit ook los van het geloof kan doen. Heb ook ik hoop, en denk ik dat ik hier mijn eigen loutering uit kan halen, al is het maar tussen de oren.
Juist tussen de oren.
Maar nu voelt het als bibberend op de bank zitten, eerste keer schoolzwemmen.
De mensen om me heen zijn vast echt ziek, mag ik wel gaan?

Ik mag, er is een hoofd bij het gordijn, ze knikt naar mij.
Ik word naar een ruimte geleid, een rechthoekige ruimte met witte muren en grijze tegels. Een grijze verwarming op de grijze tegels.
Er staat een wit bankje, kapstokhaken erboven. Een grijze stenen bak met water voor de voeten.  Een grotere grijze stenen bak waar ik me zometeen in mag laten zakken.
Een Mariabeeld aan de muur bij het voeteneind.

In de ruimte staat een vrouw, ik schat begin 60, het grijze haar in een strenge knot. Ze draagt een wit verpleegstersuniform met een blauw vestje. Geen make up, geen glimlach.
Ik zeg: no bikini, zij zegt: no problem.
Er komt een 2e zuster bij, jonger, donker haar, ook in een knot. Ze houdt een handdoek op, maakt me duidelijk dat ik me nu uit kan kleden. Ze kijkt discreet een andere kant op, ik laat aarzelend de slippers van mijn voeten glijden, mijn broek van mijn kont, mijn jurkje over mijn hoofd. De vrouw die de handdoek ophoudt kijkt heel snel hoe ver ik al ben, kijkt dan snel weer naar Maria. Ik trek mijn bh uit, heb er maar 1 bij me. Daarnaast lijkt het me niet zo reinigend, zo'n natte bh aan mijn lijf vastgeplakt en houd ik van borsten, blote borsten. Daar zit mijn vrouw-zijn, mijn kind-zijn, mijn hart zit er onder, en het steeds verder wegtrekkende litteken van de 2 weggehaalde tumoren.
Mijn broekje laat ik aan.

Ik maak duidelijk dat ik er klaar voor ben. Ik voel me naakt, heel naakt. Ook al wordt de handdoek om me heen gewikkeld, ik voel me zo naakt. De oudere verpleegster staat al bij het bad te wachten, ze steekt haar hand uit. De andere verpleegster pakt mijn hand en leidt me naar de rand van het bad. Ik sta op een verhoging, het bad aan mijn voeten. Ik ga zitten, steek mijn voeten in het water.
Het is niet genoeglijk warm, het water, mijn eerste reactie is terugtrekken.
Maar de handdoek om me heen wordt al afgedaan en de 2 vrouwen leiden me het water in. Ik wil me niet laten kennen, wil niet bibberen. Weet niet goed wat ik wel wil, het licht zien? Andere mensen schijnen hier te bidden, zich tot Maria te wenden. Ik kijk wat om me heen, wat nu? De 2 vrouwen staan tegen de muur, de handen op de rug, ze kijken naar beneden. Ik kijk weer voor me, kijk naar Maria. Haar ogen zijn op me gericht. Ik laat me langzaam helemaal in het water zakken, mijn bovenlichaam, mijn kin, mijn neus, voorhoofd. Mijn ogen houd ik dicht, mijn haren waaieren uit en drijven op het badwater.
Mijn hele gezicht onder water, de kou is weg, de naaktheid ook, ik voel me klein, ik voel me groots. Het water vermengt zich met mijn tranen.
Oertranen.

Zo lig ik daar, emotioneel te wezen, onder water, tot ik aan mijn armen boven water wordt getrokken. Ik open mijn ogen en zie aan beide zijden een verpleegster, enigszins bezorgd kijken. Ik heb geen stem, ik heb alleen mijn tranen, ik kan ze niet geruststellen, behalve door boven water te komen, door adem te halen.
De tranen blijven stromen, het maakt me niet uit, ik stap uit bad. Ik vergeet dat ik een natte onderbroek aan heb en een droge versie in mijn tas heb zitten. Ik trek snel mijn jurk over mijn hoofd, mijn slippers aan, hang mijn tas aan mijn schouder. Weet niet wat ik met die vrouwen moet, moet ik een hand geven, ze bedanken, lachen zoals ik altijd al doe.
Ik knik. Ze knikken terug, ook een beetje verlegen met de situatie. Ik wil nu snel weg, zoek mijn weg door de gordijnen, de dranghekken buiten en loop links de weg af, het bos in. Ik vind een rustig plekje aan het water en blijf maar huilen. Waarom weet ik niet precies, ik denk even niet zoveel.

Ooit zat ik op de theaterschool, en deden we een project 'de ondraaglijke lichtheid van het bestaan'. Bij de lichamelijke training deden we maar 1 oefening. Staan, rugwervel voor rugwervel afrollen en dan blijven hangen, een uur lang. Je lijf begint te trillen, eerst langzaam, maar steeds heftiger, volledige overgave. Maar vanaf het eerste moment kwamen ook mijn tranen los en zijn niet gestopt voor het project enige weken later werd afgerond.

Daar aan het riviertje Gave in Lourdes vormt zich een zin in mijn hoofd. Een zeer persoonlijke zin, een soort mantra. Eén die een tegenhanger is van die zich al zo vroeg in mijn hoofd heeft genesteld, al dan niet gepland door anderen.

Nee, ik heb het licht niet gezien, en nee, mijn ervaring past niet in het rijtje onverklaarbare gebeurtenissen.
Maar er is iets gebeurd, en het is in ieder geval een stukje rustiger in mijn hoofd.

Zaterdag 22 mei

3 Kilo souvenirs bij me waarvan een liter water en een kaars van 2 kilo.
Ik zit in de trein naar huis.
Bij Dax komt een woest aantrekkelijke man binnen. Met een vrouw, dat dan weer wel.
Ik verzamel feiten.
Geen trouwring.
Nederlands.
Tickets geboekt bij het bedrijf waar ik werk.
Morgen gaan ze uitslapen.
Zij gaat in de tuin zitten.
Hij ademt wat zwaar. Zij heeft gelakte teennagels.
Hij houdt niet van verrassingen.
Ze drinken bier.
Ze roken shag.
Zij heeft diarree.

Zo'n woest aantrekkelijke man. Geen fotomodel. Maar een mens waar je tegen aan wilt liggen, zijn lachende bruine ogen op me gericht weten. Een mens die ik om me heen zou willen hebben.

Thuis ligt Poes al op me te wachten. Vriendin was zo lief haar alvast te brengen.
Poes en ik huilen beiden bij het weerzien, en 's nachts legt ze haar lieve poezenlijfje tegen mijn gezicht.
Ik vertel haar mijn mantra.

Zondag 6 juni

Als Grote Zus en ik aan komen rijden zitten ze samen op het balkon. Ze zwaaien.
Over een paar uurtjes komen de spullen uit het oude huis. Het huis waarin ik 11 jaar heb gewoond, zij 33 jaar.
Mama is nog steeds niet blij, papa laat het over zich heen komen.
Ik bewonder het nieuwe huis, een stuk kleiner maar lekker licht.

Ik vind het niet erg dat het huis waarin ik mijn jeugd heb geleefd niet meer toegankelijk zal zijn.
Ik voelde me er kind, en dat was geen fijn gevoel.
Zoals ik me ook tijdens het hele verhuisproces kind heb gevoeld. Grote Broer die alles regelde. Grote Zus die mee kon helpen. Ze heeft een auto, kon mee helpen klussen, gordijnen uitzoeken, mentaal ondersteunen.
Ik kan niets. Niet klussen, niet autorijden, geen steun zijn.
Ik werk veel, īs ochtends half 6 op, īs avonds niet voor 10 uur thuis, meestal later, pas na 12 uur in bed.
Heb weinig leven naast het werk, en als ik het heb, dan doe ik meestal niets.
En voel ik me daar schuldig over.

Terwijl Grote Broer de verhuizers dirigeert pakken Grote Zus en ik de eerste dozen uit. Mama dribbelt er om heen, Papa loopt verloren rond, ziet hoe de dozen zich in zijn werkkamer opstapelen.
Grote Zus en ik gaan snel te werk, vele dozen leeg al. Mama zou het liefst alles meteen op de juiste plek willen hebben, op de plek waar alles stond, ze houdt niet van verandering. Maar ze zal ongelukkiger zijn met al die dozen, daarom gaan we door. Als ik langs de werkkamer van mijn vader kom zie ik hoe hij probeert een doos onder andere dozen uit te trekken, de dozen erboven dreigen over hem heen te vallen, ik ben nog net op tijd. Ik vraag hem wat hij wil. Een beetje ordenen, zegt hij. Ook al is dat niet slim nu, ik help hem ermee. Stapel de dozen met de stickers met dezelfde inhoud bij elkaar. Papa wil helpen sjouwen, maar gaat zowat door zijn rug. Ik schrik als ik zie hoe oud hij opeens is.

Later op de avond, als wij doorgaan met het bewoonbaar maken van het huis, ligt Papa op de bank. Als hij er al af wilde komen, dan kon hij niet, hij kan niet meer in beweging komen.

Tijdens mijn reis naar huis nog sms-jes van Grote Broer en Grote Zus. Ik zal blij zijn als het voorbij is, zodat ik het kind in me los kan laten, samen met mijn schuldgevoel.


Dinsdag 8 juni

Het is druk in de tram. Ik probeer zo veel mogelijk door te lopen naar voren, sta stil bij 1 van de uitgangen. Dicht naast me staat een stelletje. Ze staan dicht op elkaar, maken ruzie. Ik hoor hun woorden eerst nog niet, maar zie het, voel het, voel een dreiging. Er wordt een paar keer gebeld met derden, ik vang flarden op. Dan hoor ik opeens: houd op, laat me los, je doet me pijn. Ik kijk om me heen, iedereen kijkt voor zich uit. Ik kijk naar het meisje. Zij kijkt naar mij. Ik kijk vragend, moet ik wat doen, kan ik wat doen. Zij schudt nee en kijkt bang. Of leg ik dat in haar blik?
Hij belt. Zegt dat hij boos is. Dat L. (degene aan de telefoon?) de haren van S. (het meisje tegenover hem) heeft geknipt en dat hij daarom boos is. Dat het niet goed is geknipt. Dat ze er niet uit ziet. Dat ze lelijk is nu, zo lelijk. Mijn maag draait zich om maar mijn hart is laf.
In mijn hoofd dwaalt het woord loverboy met een groot vraagteken. In mijn hoofd dwalen dingen die ik nu zou moeten/kunnen doen.
Maar ik doe niets, behalve het meisje aankijken.
Blijf met een beklemmend en zeer ontevreden gevoel achter als zij de tram verlaten.


Woensdag 9 juni

Eigenlijk hoef ik er pas om 14 uur te zijn. Maar ik voel me verantwoordelijk, ben vandaag voorzitter van dit stembureau, van een gedeelte van deze kleuterschool.
Het is pas de 2e keer dat ik bij het stemmen betrokken ben, de afgelopen dagen heb ik me verdiept in kiezrespassen, identiteitsbewijzen, de manier van het tellen en sorteren van de stemmen.
De ochtendploeg waardeert het dat ik er ben. Samen tellen we de beginvoorraad stembiljetten, zetten de stemhokjes klaar en richten de ruimte verder in.
Als de eerste stemmers binnen komen ga ik naar huis, paar uur slapen nog.

īs Middags keer ik terug met oranje tompoucen. Ik ontmoet de 2 dames met wie ik de middag door ga brengen, ze zijn collegaīs van elkaar.
Ik vind het leuk, voorzitter zijn, voel me gewichtig. Grijp een enkele keer in als er meer dan 1 mens in het stemhokje staat, stuur een enkele keer iemand weg omdat er geen identiteitsbewijs is meegenomen. Sus een enkele keer een boos iemand.

Om 9 uur sluit het stemlokaal en opent de stembus.
We openen de stembiljetten, daarna beginnen we met sorteren. De vrouwen van de middagploeg zeggen de hele tijd dat het vorige keer anders werd gedaan, beter.
Ik ga er niet op in, hanteer de uitgezette procedure.

Ik houd me vooral bezig met de ingewikkelde administratie van het geheel. Noteren, tellen, hertellen.
De vrouwen van de middagploeg staan er bij, willen duidelijk naar huis. Ik laat ze even wachten, zeg dan dat ze mogen gaan.
Er is niemand met een auto. De waarnemend voorzitter en ik sjouwen alle spullen op onze fietsen en rijden voorzichtig naar het stadhuis.
Daar zitten de middagploegvrouwen aan de wijn. Ze roepen omslachtig dat ze zich hebben bedacht tijdens het naar huis gaan.

Stemmen is een feestje, vind ik.
De uitslag echter niet.

Vrijdag 18 juni

Ik zou op Oerol zitten nu.
Maar als ik donderdagochtend naar mijn werk ga heb ik al het idee dat het niet goed gaat met Poes. Ze is onrustig, kruipt weg.
Als ik īs avonds thuis kom kan ik haar niet vinden. Ze blijkt in een kast te liggen. Als ze me ziet en eruit wil komen valt ze om.
Wederom een bloeding dus.

In tranen sms ik Vriendin dat er een probleem is. Dat Oerol een probleem is. Ik voel me schuldig, had graag willen gaan maar mijn hart spreekt een duidelijke taal. Mijn ogen stromen over. Ik neem Poes bij me op de bank. Ze protesteert als ik haar haar pillen toedien. Ze reageert niet als ik haar haar eet- en drinkbakje voorzet. Ze laat zich later op de avond gewillig op bed leggen maar gaat wel verder van me af liggen dan gebruikelijk.

Vanmorgen tref ik haar naast me aan. Met haar wankele lijfje heeft ze me toch nog weten te vinden en zich naast me neergelegd.
In haar lopen is geen verbetering en ze wil nog steeds niet eten of drinken.
Ik bel de dierenarts, we kunnen snel terecht.

De arts constateert een veel te hoge hartslag en een echt zieke Poes. Ze houdt haar wat paté voor, Poes likt het uit haar handpalm, een goed teken. De dierenarts zegt dat ze haar op basis daarvan nog een kans zou geven. Dat de komende dagen essentieel zijn. Dat ik in de gaten moet houden of ze in rondjes blijft lopen of dat daar verbetering in komt.
Ze zegt ook dat Poes wel iedere keer minder uit zo'n bloeding zal komen en dat het wachten is op de volgende.

De rest van de middag ligt Poes onder de bank, mijn moederhart doet pijn.

Ik mag niet egoïstisch zijn. Ik houd van haar, en liefde moet onbaatzuchtig zijn.
Maar is het niet menselijk om haar niet te willen missen? Om op te zien tegen die enorme stilte in huis, de eenzaamheid van het echt alleen zijn?

Kiki Smith - Untitled

Zaterdag 19 juni

Hoe bepaal je of een leven nog waardig is? Vooral het leven van iemand die daar zelf niets over kan zeggen, het leven van een dier.

Afgelopen donderdag had ik het met een collega die zijn moeder de volgende dag zou gaan begraven, over de waarde van iemands leven.
Hij wil gaan spreken, en zette zijn moeders waarde op papier, bracht dat terug tot 2 kernachtige zinnen die haar leven samenvatten.
Het zijn dingen die me bezighouden. Wat is je waarde, wat is mijn waarde, hoe word je bewaard. Op grafstenen zie je het staan, ' haar leven was werken', 'grootmoeder', een beroep bij de naam, kennelijk waren dat de kernwaarden van het leven van die persoon.

We hebben het erover hoe die waarden veranderen tijdens het leven, omdat je zelf verandert, de ander vaak niet meer.
Ik zeg hem dat ik nog zo boos ben op mijn ouders, terwijl ik tegelijkertijd wel beter weet.
Hij vertelt me dat hij meer kent die daarmee worstelen, mensen van mijn leeftijd, wat een geruststelling.
Als je rond de 20 bent zet je je af, het is bijna een 2e natuur.  Dat heet ook wel loslaten, een eigen leven krijgen. Nu komt de relativering, maar die maakt het niet persé makkelijker. Het is als een ouder iemand die in de 1e fase van dementie zit, ik heb met die mensen gewerkt. Een professor staat nog helder op mijn netvlies. Huilend omdat hij weet dat hij zijn kennis aan het verliezen is. Omdat hij zojuist zijn vrouw niet heeft herkend. Die tussenfase.

Ik kijk veel naar Poes. Ze eet en drinkt niet echt uit zichzelf, alleen als ik haar paté voorzet. Ze slaapt, kruipt nog steeds weg in de kast en onder de bank. Als ze zich voortbeweegt wankelt ze, glijden haar poten onder haar lijfje vandaan, valt ze om.
Ik probeer haar ogen te lezen.
Denk daar een vragende blik in te zien, een ongelukkig gevoel.
Maar lees ik dat enkel om duidelijkheid af te dwingen?
En hoe maak je ooit een juiste beslissing als het over een leven gaat?

Zondag 20 juni

Vanaf het voeteneind van het bed kijkt ze met haar grote ogen aan. Door haar mager geworden lijfje lijken die ogen nog groter.
Haar hoofdje heeft ze een beetje schuin. Ik zie vragen in die ogen, maar probeer er geen antwoorden in te lezen.
Ik probeer me te richten op de feiten, niet op de emotie.
Feit is dat uit haar linkeroog vocht naar beneden rolt. Een traan, zegt de emotie en brengt mijn eigen tranen naar boven.

Hoe kan ik ooit zo ver zijn, dat ik het leven beëindig van dit lijfje dat probeert vooruit te komen, dat nog warm is, dat nog wat eten in zich opneemt en uitstoot, dat zich nog nestelt in mijn schoot.

Zondag 11 juli

Het is niet alleen de dag van de voetbalfinale. De finale die we verliezen. Niet een finale waarin we 2e worden, nee, een finale die we verliezen.
Niet alleen de dag volgend op het noodweer, de dag waarop de treinen vastlopen op het traject dat ik moet bereizen.
Het is ook de dag van Deventer op stelten. Een jaar geleden ging mijn bezoek aan het festival niet door vanwege de 1e hersenbloeding van Poes.


Zondag 25 juli

Druk doende met de voorbereiding van de jaarlijkse familiedag die ik organiseer in plaats van een in-een-kringetje-zitten op mijn verjaardag. Het wordt erg leuk, al zeg ik het zelf.
Ik stuur ze hints, om ze te laten raden naar de plek waar we elkaar gaan ontmoeten over 2 weken, voer de spanning op. Iemand zei pas tegen me dat er toch ook wel liefde moet zijn, als ik zoiets organiseer. Ja, zeg ik aarzelend. Maar het is vooral een vragen om erkenning, en die krijg ik op zo'n dag.

Met Goede Man gaat het goed, laat hij me een paar weken weten na mijn antwoord op zijn vraag hoe het met me is. Lange weken. Maar met hem gaat het goed en ik zal altijd een speciaal plekje bij hem innemen. De afstand groeit, ik haal hem uit mijn MSN, er sluit een deur.

Poes geeft signalen, maar is dit HET signaal? Ik probeer haar ogen te lezen, maar kijkt ze me aan met een vraag, of hoop ik teveel op een antwoord op mijn vraag.

Ik heb het zwaar, deze weken. De drukte op mijn werk begint heel langzaam iets af te nemen, en ik moet afkicken merk ik. Ben snel geîrriteerd, erg moe, boos op mezelf dat mijn leven momenteel enkel werken en slapen is.
Boos dat ik niet in staat ben in te grijpen, mijn leven een goede wending te geven.
Mijn mantra is ver weg, en word overstemd.

Op mijn toetsenbord zitten vliegen te paren.

Zaterdag 31 juli

Woensdag 11 augustus

Ik sta bij de tramhalte, leunend tegen een billboard.
De rust op het werk zet zich niet voort, het is ongekend druk.
De familiedag afgelopen zondag was erg geslaagd, maar ook confronterend.
De dagen erop volgend slaap ik als ik niet werk, de vermoeidheid doet pijn.

Tegenover de tramhalte is een pizzeria, daarboven 2 etages.
Achter het raam boven de entree van de pizzeria zit een vrouw op een stoel, haar haren nat.
Een man achter haar, een schaar in zijn rechterhand. Hij haalt zijn handen door haar natte haar, knipt er wat van af, schudt het dan weer door elkaar.
Ze praten niet, in de kamer klinkt waarschijnlijk enkel het geluid van de bladen van de schaar.

Ik laat een tram voorbij gaan.

Ik strek mijn nek. Voel warme vingers door mijn haren woelen, over mijn huid gaan. Het voelt net zo troostrijk als vastgehouden te worden door een liefdevolle moeder.
Een traan baant zich een weg van mijn linkeroog over mijn wang.

Mijn leven is een zooitje.
Het leven van een kind dat maar geen vrouw kan worden.
Wil worden.

Zaterdag 28 augustus


Om los te laten is liefde nodig

Loslaten betekent niet dat het me niet meer uitmaakt.

Het betekent dat ik het niet voor iemand anders kan oplossen of doen.


Loslaten betekent niet dat ik 'm smeer,

het is het besef dat ik de ander ruimte geef

Loslaten is niet het onmogelijk maken,

maar het toestaan om te leren van menselijke consequenties.


Loslaten is machteloosheid toegeven, hetgeen betekent dat ik

het resultaat niet in handen heb.

Loslaten is niet proberen om een ander te veranderen of

de schuld te geven, het is het jezelf zo goed mogelijk maken.


Loslaten is niet zorgen voor, maar geven om.

loslaten is niet oordelen, maar de ander toestaan mens te zijn

loslaten is niet in het middelpunt staan en alles beheersen,

maar het anderen mogelijk maken hun eigen lot te bepalen.


Loslaten is niet anderen tegen zichzelf beschermen,

het is de ander toestaan de werkelijkheid onder ogen te zien.

loslaten is niet ontkennen, maar accepteren.

loslaten is niet alles naar mijn hand zetten,

maar elke dag

nemen zoals die komt en er mezelf gelukkig mee prijzen.


Loslaten is niet anderen bekritiseren of reguleren, maar

te worden wat ik droom te kunnen zijn.

loslaten is niet spijt hebben van het verleden, maar

groeien en leven voor de toekomst.

loslaten is minder vrezen en meer beminnen.


Nelson Mandela


Woensdag 1 september

Over loslaten gesproken.

Gisteravond het bericht over een overleden oom. Voor mij een oom, voor mijn moeder haar broer.
Vandaag het bericht dat de vrouw van een neef is overleden. Voor mij de vrouw van, voor anderen een zeer dierbaren.
Een zeer nare speling van het lot: ze worden tegelijkertijd begraven, mijn ouders staan voor een onmogelijke keuze.

Met Poes gaat het slecht. Ze sleeft haar lijfje over de grond, sleept etensbakjes met haar gewankel mee.

Vrijdag toch maar in laten slapen?

Zondag toch nog op vakantie?
Vrijdag 3 september

Ik zet de schop in de aarde.

"Hallo Buurvrouw."
Ik kijk omhoog.
"Gaat het goed, buurvrouw?"
"Ja," zeg ik.
"Buurvrouw, ik wil graag dat die boom weggaat.
Ik begin te vertellen dat ik daar vanmorgen al mee begonnen ben maar dat ik hulp nodig heb voor de dikke stam en de hoge takken maar ze laat me niet uitspreken.
Zegt iets over een zaag en dat de boom hoog wordt en niet mooi. Ik beaam dat, probeer weer te zeggen dat ik al begonnen was, maar ze heeft haar punt gemaakt en doet de deur kordaat achter zich dicht.
Ik kijk de andere kant weer op, met de schop in mijn hand.
Schep dan resoluut de eerste aarde weg.
Schep net zo lang door tot er een kuil is.
Aan de ene kant probeer ik niet te denken aan wat ik aan het doen ben, aan de andere kant weten mijn tranen wel beter.

Vriendin komt.
Kijken naar Poes.
Proberen alle twijfel uit te bannen.
Leggen haar dan in het mandje en rijden naar de dierenarts.

Ze ligt op de tafel. Haar lijfje gestrekt. Haar ogen open.
Ze heeft een eerste spuit gekregen. Ze kijkt me aan, likt de tafel.
Ze krijgt een 2e spuitje. De verhalen van de jonge dierenarts gaan langs me heen, Poes kijkt me aan.
Blijft me aankijken.
Ik wil het tegenhouden.
Wil haar oppakken, tegen me aan houden, haar meenemen met alle gebreken die ze nu vertoont.
"Ze is stil," zegt hij.
Het dringt nog niet tot me door dat hij daarmee bedoelt dat ze niet meer leeft.
Dat ze dood is.
Ze kijkt me nog aan.

Haar levenloze lijfje wordt in het mandje gelegd, ik neem een sprint met die mand richting auto, sterkte, zegt de receptioniste nog achter me aan.
Thuis zit ik nog een tijdje met haar op schoot.
Heel langzaam kunnen we haar ogen sluiten.
Maar ze wordt nog niet koud, niet stijf.
Ze zou zo weer kunnen gaan ademen.

Dan staan we op.
ik heb haar in mijn armen, in haar roze dekentje.
We leggen haar voorzichtig onder in de kuil, slaan de deken om haar heen. Ik geef haar 2 kastanjes mee, voor haar, voor Anna.
Schep de eerste aarde over het dekentje. Vriendin helpt om het gat verder te vullen.

We rijden naar Ex, ik wil aan de tafel van Anna zitten.
Een warme tafel, aangenaam gezelschap, ruimte gevend aan alle emoties en twijfels.

Thuis is het stil.
De etensbakjes en kattenbak zijn weggestopt.
Met het kussen waar ze op lag kan ik dat nog niet.
De contouren van haar lijfje zijn er nog zo zichtbaar in.
Vanaf mijn plekje op de bank gaat mijn hoofd automatisch steeds opzij om te kijken hoe ze er bij ligt.