Vrijdag 21 mei
Al dagen loop ik te dralen bij de baden.
Voorbij de grot, de kraantjes en de kaarsen is er de mogelijkheid om je onder te (laten) dompelen in een bad met water uit de bron. Misschien omdat het zo verborgen achter een gordijn plaatsvindt, ik weet het niet, het fascineert me. Ik heb dat meer met plekken die wat geheimzinnig zijn, kloosters, gevangenissen.
Al dagen vraag ik me af wat er achter het gordijn gebeurt. Ga je in 1 groot bad gezellig met iedereen, word je uitgekleed en vooral: wat houd je aan?
Ik heb geen bikini bij me. Dat laat ik dagenlang de drempel zijn. Maar dan besluit ik, op mijn laatste dag hier, aan te schuiven op het bankje. Schone onderbroek, bh, hemdje, we zien het wel.
Er is een aparte ingang voor mannen en vrouwen. Vrijwilligers regelen de logistiek, wie waar moet wachten op welk bankje en wie mee mag met de verpleegster die haar hoofd laat zien vanachter het gordijn.
Ik overweeg de hele tijd op te stappen.
Heb bewust niet meegedaan met de processie, ben niet de grot ingegaan, niet een hele mis bijgewoond. Dat voelt schijnheilig en ik krijg er genoeg van mee.
Maar het lijkt me dat ik dit ook los van het geloof kan doen. Heb ook ik hoop, en denk ik dat ik hier mijn eigen loutering uit kan halen, al is het maar tussen de oren.
Juist tussen de oren.
Maar nu voelt het als bibberend op de bank zitten, eerste keer schoolzwemmen.
De mensen om me heen zijn vast echt ziek, mag ik wel gaan?
Ik mag, er is een hoofd bij het gordijn, ze knikt naar mij.
Ik word naar een ruimte geleid, een rechthoekige ruimte met witte muren en grijze tegels. Een grijze verwarming op de grijze tegels.
Er staat een wit bankje, kapstokhaken erboven. Een grijze stenen bak met water voor de voeten. Een grotere grijze stenen bak waar ik me zometeen in mag laten zakken.
Een Mariabeeld aan de muur bij het voeteneind.
In de ruimte staat een vrouw, ik schat begin 60, het grijze haar in een strenge knot. Ze draagt een wit verpleegstersuniform met een blauw vestje. Geen make up, geen glimlach.
Ik zeg: no bikini, zij zegt: no problem.
Er komt een 2e zuster bij, jonger, donker haar, ook in een knot. Ze houdt een handdoek op, maakt me duidelijk dat ik me nu uit kan kleden. Ze kijkt discreet een andere kant op, ik laat aarzelend de slippers van mijn voeten glijden, mijn broek van mijn kont, mijn jurkje over mijn hoofd. De vrouw die de handdoek ophoudt kijkt heel snel hoe ver ik al ben, kijkt dan snel weer naar Maria. Ik trek mijn bh uit, heb er maar 1 bij me. Daarnaast lijkt het me niet zo reinigend, zo'n natte bh aan mijn lijf vastgeplakt en houd ik van borsten, blote borsten. Daar zit mijn vrouw-zijn, mijn kind-zijn, mijn hart zit er onder, en het steeds verder wegtrekkende litteken van de 2 weggehaalde tumoren.
Mijn broekje laat ik aan.
Ik maak duidelijk dat ik er klaar voor ben. Ik voel me naakt, heel naakt. Ook al wordt de handdoek om me heen gewikkeld, ik voel me zo naakt. De oudere verpleegster staat al bij het bad te wachten, ze steekt haar hand uit. De andere verpleegster pakt mijn hand en leidt me naar de rand van het bad. Ik sta op een verhoging, het bad aan mijn voeten. Ik ga zitten, steek mijn voeten in het water.
Het is niet genoeglijk warm, het water, mijn eerste reactie is terugtrekken.
Maar de handdoek om me heen wordt al afgedaan en de 2 vrouwen leiden me het water in. Ik wil me niet laten kennen, wil niet bibberen. Weet niet goed wat ik wel wil, het licht zien? Andere mensen schijnen hier te bidden, zich tot Maria te wenden. Ik kijk wat om me heen, wat nu? De 2 vrouwen staan tegen de muur, de handen op de rug, ze kijken naar beneden. Ik kijk weer voor me, kijk naar Maria. Haar ogen zijn op me gericht. Ik laat me langzaam helemaal in het water zakken, mijn bovenlichaam, mijn kin, mijn neus, voorhoofd. Mijn ogen houd ik dicht, mijn haren waaieren uit en drijven op het badwater.
Mijn hele gezicht onder water, de kou is weg, de naaktheid ook, ik voel me klein, ik voel me groots. Het water vermengt zich met mijn tranen.
Oertranen.
Zo lig ik daar, emotioneel te wezen, onder water, tot ik aan mijn armen boven water wordt getrokken. Ik open mijn ogen en zie aan beide zijden een verpleegster, enigszins bezorgd kijken. Ik heb geen stem, ik heb alleen mijn tranen, ik kan ze niet geruststellen, behalve door boven water te komen, door adem te halen.
De tranen blijven stromen, het maakt me niet uit, ik stap uit bad. Ik vergeet dat ik een natte onderbroek aan heb en een droge versie in mijn tas heb zitten. Ik trek snel mijn jurk over mijn hoofd, mijn slippers aan, hang mijn tas aan mijn schouder. Weet niet wat ik met die vrouwen moet, moet ik een hand geven, ze bedanken, lachen zoals ik altijd al doe.
Ik knik. Ze knikken terug, ook een beetje verlegen met de situatie. Ik wil nu snel weg, zoek mijn weg door de gordijnen, de dranghekken buiten en loop links de weg af, het bos in. Ik vind een rustig plekje aan het water en blijf maar huilen. Waarom weet ik niet precies, ik denk even niet zoveel.
Ooit zat ik op de theaterschool, en deden we een project 'de ondraaglijke lichtheid van het bestaan'. Bij de lichamelijke training deden we maar 1 oefening. Staan, rugwervel voor rugwervel afrollen en dan blijven hangen, een uur lang. Je lijf begint te trillen, eerst langzaam, maar steeds heftiger, volledige overgave. Maar vanaf het eerste moment kwamen ook mijn tranen los en zijn niet gestopt voor het project enige weken later werd afgerond.
Daar aan het riviertje Gave in Lourdes vormt zich een zin in mijn hoofd. Een zeer persoonlijke zin, een soort mantra. Eén die een tegenhanger is van die zich al zo vroeg in mijn hoofd heeft genesteld, al dan niet gepland door anderen.
Nee, ik heb het licht niet gezien, en nee, mijn ervaring past niet in het rijtje onverklaarbare gebeurtenissen.
Maar er is iets gebeurd, en het is in ieder geval een stukje rustiger in mijn hoofd.